Hoofdstuk 9 Scholing en ondersteuning
9.1 Inleiding
Om goed te kunnen functioneren als raadslid of als lid van de opleidingscommissie zijn bepaalde randvoorwaarden noodzakelijk. Voor bestuurlijk actieve studenten is het essentieel dat er voldoende faciliteiten en ondersteuning ter beschikking worden gesteld. Zowel door de mensen die je voor zijn gegaan, als de universiteit. De belangrijkste punten hier zijn inwerken, scholing, ondersteuning, tijd en geld.
9.2 Inwerken
Inwerken is een belangrijk onderdeel van het jaar, ondanks dat er niks over gezegd wordt in de wet. Inwerken is belangrijk om continuïteit in de inspraak te waarborgen. Om de schaarse en korte tijd die studenten hebben zo effectief en inhoudelijk mogelijk te betsteden, zijn scholing en inwerken essentiële onderdelen van het bestuursjaar. Als dit goed gebeurt hoeven de nieuwe raadsleden niet ieder jaar opnieuw het wiel uit te vinden. Ook is de inwerkperiode heel belangrijk om te bepalen wat voor scholing er nodig is voor de nieuwe leden. Het is namelijk raadzaam zelf na te gaan wat er mogelijk en wenselijk is aan scholing en dat niet alleen te laten bepalen door het bestuur. Let wel: als je de nieuwe raadsleden bepaalde zaken weigert te leren, dan leren ze het waarschijnlijk van niemand. Het is heel erg belangrijk dat de zittende raadsleden zich dat terdege bewust zijn.
9.3 Scholing
9.3.1 Universiteitsraads- en faculteitsraadsleden
Over scholing van universiteitsraadsleden en faculteitsraadleden wordt gesproken in de wet, namelijk in artikel 9.48 lid 2. Daar wordt aangegeven dat het college van bestuur samen met de raad moet vaststellen hoeveel scholingstijd de nieuwe leden nodig zullen hebben om hun taak naar behoren te vervullen. Het stuk over scholing in de wet is eigenlijk op erg veel manieren te interpreteren. Er staat dat de raad en het college van bestuur samen vast moeten stellen hoeveel scholing er nodig is. Het kan zo zijn dat er dus eens in de zoveel tijd vast gesteld wordt, in het raadsreglement, wat er gedaan wordt aan scholing.
Het kan ook zo zijn dat er ieder jaar wordt vastgesteld wat er nodig is aan scholing.De tweede optie is erg onwaarschijnlijk, aangezien die optie erg veel tijd kost voor alle partijen. Maar als er dan gesproken wordt over wat voor scholing er eigenlijk nodig is kan het college van bestuur nog steeds verschillende opties aandragen.Voor hun is het misschien helemaal niet zo erg als de raadsleden niet goed ingewerkt worden en als er geen goede scholing gegeven wordt. In dat geval is er een kans dat ze voorstellen om zelf de scholing te regelen. Een scholingsdag met bijvoorbeeld wat praatjes van verschillende ambtenaren en wat literatuur. Neem hiermee geen genoegen. Het is namelijk essentieel dat raadsleden goede kennis hebben van zaken. Je kunt daarbij denken aan scholing op het gebied van wettelijke bevoegdheden, scholing op het gebied van de interne gang van zaken, scholing op een aantal grote inhoudelijke onderwerpen zoals instellingsplan en begroting of Onderwijs- en Examen Reglement (OER). Andere mogelijkheden zijn vaardigheidstrainingen zoals vergadertraining, presentatietraining, onderhandeltraining en voorzitterstraining.
Nogmaals het is raadzaam zelf na te gaan wat er mogelijk en wenselijk is en dat niet te laten bepalen door het bestuur.
Nog een tweede optie voor het aanbieden van scholing is bijvoorbeeld het inhuren van externe experts, door de universiteit om uitleg te geven over verschillende zaken. Dit kan een hele goede optie zijn. De kwaliteit van de ingehuurde kennis moet dan natuurlijk wel van dergelijk kaliber zijn dat de raadsleden er echt iets aan hebben.Voor scholingsmogelijkheden kun je bijvoorbeeld contact opnemen met de LSVb of het ISO.
Misschien wel de beste optie is het ter beschikking gesteld krijgen van een bepaald budget (dat moet natuurlijk wel toereikend zijn). Hiermee kan dan zelf bedacht worden wat er nodig is aan scholing. Denk hierbij aan een scholingsweekend met andere fracties. Als er een eigen scholingsbudget is, kan er natuurlijk ook gekozen worden voor het inhuren van externe experts.
In artikel 9.32 lid 5 wordt ook nog een heel belangrijk onderdeel van de scholing beschreven. Namelijk het aanleveren van
algemene, belangrijke stukken door het college van bestuur aan het begin van het studiejaar. Dit is noodzakelijk om het inzicht te verwerven in hoe de universiteit in elkaar zit en hoe het beleid was, is en zal zijn.
9.3.2 Opleidingscommissies
Over de scholing voor leden van opleidingscommissies staat niks expliciet in de wet. Dat betekent niet dat je niks moet proberen te regelen voor de scholing van de nieuwe leden van deze commissie. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren via het opleidingsbestuur of het faculteitsbestuur. Het ministerie heeft zelfs aangegeven dat het een zorgpunt is, dus probeer iets te regelen. Ook hier ligt er een taak voor de oud-leden van de opleidingscommissie om de nieuwe leden in te werken.
9.4 Ondersteuning
Volgens de wet moeten raadsleden voldoende voorzieningen tot hun beschikking gesteld krijgen om hun werk goed te kunnen doen. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan een ruimte, maar ook aan computers, met een internetaansluiting en printer, een telefoon en kopieermogelijkheden. Een telefoon en een ruimte zijn noodzakelijk aangezien je af en toe mensen moet kunnen ontvangen en contact met ze moet kunnen opnemen, denk hierbij aan je achterban. Een computer met internetaansluiting is ook erg belangrijk omdat je via internet belangrijke informatiebronnen kunt raadplegen (zoals bijvoorbeeld de Landelijke Studenten Vakbond, ministerie van OC&W of de Informatie Beheer Groep). Je kunt daar aan informatie komen en hulp zoeken bij problemen.
Het is ook erg handig om een ruimte te hebben om een archief te kunnen aanleggen. Een archief garandeert, evenals het inwerken en de scholing, een zekere continuïteit en behoudt van de deskundigheid. Het archief bevat achtergrondinformatie: boeken, beleidsplannen, informatiemateriaal en artikelen over de verschillende onderwerpen waar studentbestuurders mee bezig zijn.Wanneer je als student wilt weten wat de geschiedenis van een onderwerp is, kan je in het archief de achtergronden uitzoeken.Wanneer er een centrale plaats is waar de studenten deze informatie vandaan
kunnen halen, draagt dat zeer bij aan het kennisniveau van de studenten.
Evenals de scholing, staat de noodzaak van voorzieningen voor leden van opleidingscommissies niet beschreven in de wet. Maar net zoals bij paragraaf 9.3 moet ook hier benadrukt worden dat het zeker het proberen waard is. Probeer ook voor voorzieningen aan te kloppen bij het opleidingsbestuur of bij het faculteitsbestuur.
9.5 Tijd en geld
9.5.1 Algemeen
Studenten hebben zonder financiële ondersteuning over het algemeen geen tijd om zich bestuurlijk in te zetten of plaats te
nemen in een medezeggenschapsorgaan. Dat komt voor een belangrijk deel door de rigide en minimale studiefinanciering.
Deze activiteiten gaan ten koste van de tijd die beschikbaar is voor de studie of het voor de meeste studenten onmisbare bijbaantje. Studenten zullen niet altijd bereid zijn om in zo'n geval hun privétijd te spenderen aan bestuurlijke zaken.
Gelukkig behoren deze activiteiten tot de omstandigheden waarvoor vergoeding plaats moet vinden aangezien het werk nogal veel tijd in beslag neemt. Studenten die bestuurlijk actief zijn, kunnen namelijk door het raadswerk studievertraging oplopen en daardoor een grotere studieschuld. Het is de taak van de universiteit om dit te voorkomen, of achteraf te vergoeden. Dit is vastgelegd in artikel 7.51.
Om meer tijd te creëren voor bestuurlijke activiteiten is er een aantal mogelijkheden. In de wet staat het vermeld onder het kopje afstudeerfonds, hieronder vallen bijvoorbeeld bestuursbeurzen. Andere vormen van steun zijn bijvoorbeeld het toekennen van studiepunten of het uitbetalen van vacatiegelden, deze staan overigens niet vermeld in de wet. Deze mogelijkheden worden hieronder uitgewerkt.
9.5.2 Studiepunten
Voor het werk in de studenteninspraak kunnen studiepunten worden toegekend. Ieder studieprogramma zou ruimte moeten
hebben voor vrij besteedbare studiepunten. Die vrije ruimte moet worden geregeld in de onderwijs- en examenregeling. In het studentenstatuut kun je vastleggen dat elke student een bepaald minimum aan vrije studiepunten heeft. In het studentenstatuut kun je verder uitwerken hoeveel studiepunten je voor een bepaalde functie kunt krijgen. Op het studentenstatuut en op een groot deel van de onderwijs- en examenregeling heeft de studentenraad of de medezeggenschapsraad instemmingsrecht. Door bovendien gebruik te maken van het initiatiefrecht (artikel 9.32 lid
2) kun je hier als student aanzienlijke invloed op uitoefenen.
9.5.3 Afstudeerregeling
Om de (studenten)inspraak goed te laten functioneren, is het van wezenlijk belang dat er voldoende tijd in gestoken kan worden. Vooral in de zwaardere functies, zoals lid van het faculteitsbestuur of lid van de universiteitsraad, is een vergoeding noodzakelijk. Over het algemeen wordt alle afstudeersteun voor studenten in medezeggenschapsorganen of in opleidingscommissies geregeld in artikel 7.51. Je kunt afstudeersteun ontvangen als je niet door eigen toedoen een vertraging oploopt in je studie, of als je actief bezig gaat met zaken die belangrijk zijn voor de universiteit. Nog een derde reden waarom je aanspraak zou kunnen maken op het afstudeerfonds is als je aan kunt tonen dat je opleiding niet studeerbaar is.
De algemene afstudeerregeling die in de wet staat beschreven geldt voor iedereen die in een universiteits- of faculteitsraad of een opleidingscommissie zit. De enige twee problemen met deze beschrijving is dat er niet de hoogte en de duur uit blijken. Er staat niet precies in de wet hoeveel financiële ondersteuning je moet ontvangen. Er wordt aangegeven dat het bedrag gelijk moet zijn aan de studiefinanciering, die je ontvangt, of zou hebben ontvangen, als er aanspraak op gemaakt zou worden of op gemaakt zou mogen worden (artikel 7.51 lid 4). Dit gedurende de tijd dat de persoon in kwestie vertraging oploopt door zijn of haar werkzaamheden. Maar de universiteit kan zelf de hoogte en voorwaarden vaststellen. Bij iedere universiteit is de afstudeerregeling dus ook verschillend. Kijk dus altijd voordat je plaatsneemt in een raad of commissie, hoeveel vergoeding je kunt ontvangen. Het is heel belangrijk te realiseren dat de vergoeding afhangt van je studiefinanciering. Het gevolg hiervan is dat er twee mensen samen in een raad kunnen zitten en niet hetzelfde bedrag aan vergoeding krijgen.
Eén van de onderdelen van de MUB houdt in dat de universiteitsraad of studentenraad instemmingsrecht heeft op de afstudeerregeling (artikel 7.51). In die afstudeerregeling moet in ieder geval worden vastgelegd welke activiteiten voor wat voor vorm van ondersteuning in aanmerking komen. Bovendien kunnen bepaalde eisen worden vastgelegd waaraan je moet voldoen om in aanmerking te komen voor afstudeerondersteuning. Je kunt een lijst maken met alle functies die worden ondersteund, met een bepaling van het aantal maanden dat in principe beschikbaar is voor elke functie. Let wel het bedrag voor iedereen individueel staat dan nog niet vast aangezien de vergoeding afhankelijk is van de hoogte van de studiefinanciering.
9.5.4 Vacatiegeld
Maar op sommige universiteiten gaat het anders. Af en toe wordt er namelijk nog gewerkt met vacatiegeld. Dit fenomeen stamt nog uit de tijd van voor de MUB. Het vacatiegeld diende toen nog voor het zorgen dat personeelsleden naar de vergaderingen kwamen. Sinds de invoering van de MUB is het eigenlijk aan het verdwijnen. Een universiteit kan het nog wel eens gebruiken om de studenten wat extra's te geven. Of om een niet volledig dekkende afstudeerregeling aan te vullen. Ook kan het dienen om studenten die bij hun afstudeerregeling niet direct geld op hun rekening krijgen wat geld in handen te geven zodat ze hun bijbaantjes op kunnen geven. In veel gevallen waar het vacatiegeld nog bestaat is het evenveel als het collegegeld, op deze manier is het dan een aanvulling op een niet volledige afstudeerregeling.