Zoeken
 
WelkomDossiersPublicatiesArchievenContact
 
 
 Nieuws
 Agenda LOF-activiteiten
 Kernpublicaties
 Opleidingscommissies
 Cursusaanbod
 Landelijk Aanbod Minoren

Het speelveld en de spelers

14 juli 2010

aldus ScienceGuide,

 

14 juli 2010 - Informateur Tjeenk Willink heeft geadviseerd de verhouding tussen kabinet en Kamer te herijken en grondig te kijken naar de samenstelling van de regering en de positionering van bewindslieden. Wat voor gevolgen heeft dat voor kennisbeleid en de nieuwe kennisminister? Hoe zou een Paars+ hoofdlijnenakkoord er voor hoger onderwijs uit zien? "Allen vinden dat het een tijd is voor daadkracht en vernieuwing," zegt informateur en onderwijsman Wallage. ScienceGuide biedt een eerste zomerverkenning vanuit de wandelgangen en de analyses van beleidsexperts.

Als 'Paars plus' de adviezen van Tjeenk Willink voor het nieuwe kabinet serieus neemt, heeft dat ook voor het onderwijs ingrijpende gevolgen. We hebben een periode achter de rug waarin onderwijsministers zich vaak meer als bestuurder opstelden dan als politicus pur sang. Bij alle partijpolitieke verschillen was er daarom ook opmerkelijk veel continuïteit tussen ministers als Hermans, Van der Hoeven en Plasterk.

Tjeenk Willink pleit er echter voor dat de nieuwe ministers zich vanaf dag 1 krachtig committeren aan het akkoord op hoofdlijnen van de nieuwe regering en die afspraken krachtig verdedigen, maar daarbij wel ruimte geven aan input uit de Kamer. Ook daarom wil Tjeenk Willink een regeerakkoord op hoofdlijnen en geen dichtgeslibd pak papier, zodat kabinet en parlement beide en samen voldoende te doen hebben. En zich in hun eigen rol veel meer gaan profileren.

In twee blokken daarom hier de blik vooruit op de lopende onderhandelingen: a] Een akkoord op hoofdlijnen: wat staat daar straks dan in? b] Wat voor soorten minister zou wat voor soort beleid daarmee gaan voeren? Wat zou de eigen kleurspoeling zijn van Rinnooy Kan, Bruijn of Plasterk bijvoorbeeld? 

 

A] Een akkoord op hoofdlijnen

Het kabinet-Rutte-1 heeft het eigenlijk makkelijk op kennisterrein. Op het eerste gezicht. De afspraken kunnen voortbouwen op enkele breed gedragen, recente kerndocumenten. En de paarse partijen hadden in hun programma's al een meer dan opvallende overeenstemming bereikt over hun HO-visies, en zelfs over het geld.

Het akkoord tussen VVD-PvdA-D66-GL zou er dan ook zo uit kunnen zien:

 

1)       Uitgangspunt is de uitvoering van de motie-Hamer

Nederland moet alles op alles zetten om in 2020 teruggekeerd te zijn in de Top 5 van de competitieve kennisnaties. Europese analyses en KIA-foto's laten daarbij zien dat de publieke investeringen in kennis soms nu al een zeer behoorlijk niveau kennen, maar vooral particulieren (burgers en bedrijven/instituties) weinig over hebben de facto voor hun eigen kennisloopbanen en onderzoeksbasis. Daar zal in het akkoord dan ook nadruk op gelegd worden.

Dat zal vooral aangestipt worden op de punten waar Nederland ernstig achterbegint te liggen bij de cruciale kennis- en innovatiefactoren: uitgaven voor R&D (geen stijging 2000-2006, elders +15%); inzet voor LLL (daling deeltijdstudenten, bijscholingsprestatie slechts 50% van de target, meer dan 5 maal meer LLL in WO elders); investering in excellentietrajecten, stapelaars, laatbloeiers, dubbeldiplomeringen (Sirius in Nederland: 50 mln; in Duitsland: 1,9 mld, verhoogd zojuist met 300 mln extra beurzen via 'Stipendien' voor ijverige studenten).

Rutte-1 kon daarom weleens een soort 'Akkoord van Wassenaar voor Kennis' willen sluiten, waarin fiscale instrumenten, extra investeringen en vergaande afspraken over efficiencyslagen in het HO bijeengebracht worden. Voorbeeld: in het HBO zou uitvalreductie 1,5 mld opleveren, volgens de HBO-raad. Zo'n type afspraak past goed bij het pleidooi van coalitievoorman Job Cohen over maatschappelijke akkoorden. Rinnooy Kans KIA-coalitie zal zich hieraan nooit kunnen onttrekken, evenmin als Noorda's Stichting van het Onderwijs.

Aangezien de motie-Hamer kamerbreed is aangenomen zal ook de oppositie alleen door glibberig wegduiken of populistisch kabaal tegen deelaspecten op dit terrein nog kunnen voorkomen, dat zij het kabinet moeten steunen. Vooral SP en PVV krijgen het daar wellicht nog moeilijk mee. Het risico voor hen is dat zij beide onbedoeld zouden onderstrepen, dat zij niet zonder reden niet als 'regeringsvaardige' partijen in de formatie een serieuze rol konden veroveren. Het gelijk van Maxime Verhagen is als het ware wel het laatste dat Geert Wilders zal willen bewijzen.

 

2)       Afschaffing SF gaat direct ondernomen worden

Alle vier de paars+ coalitiepartijen maken in hun programma een eind aan de prestatiebeurs en komen met een variant van een leenstelsel. Het hoofdlijnenakkoord zal dit noteren en de nieuwe minister opdragen een haalbare, flink geld opleverende variant te kiezen en uit te werken.

Meeste geld levert vooralsnog de VVD-versie op. Daarbij komt dat OCW intern berekent dat tot 2020 nog zo'n 150.000 extra studenten SF-gerechtigd zouden worden. Deze additionele last op de komende overheidsuitgaven, in een periode van fors oplopende staatsschuldlasten, kan zo met een ingreep nu direct worden geëlimineerd.

De OV-kaart zal in dit verband niet verlengd worden als bijdrage aan die schuldreductie. Dit zou dan een impliciete collegegeldverhoging inhouden. Daarmee gaat de particuliere bijdrage aan het HO relatief pijnloos ook nog omhoog, conform het aandachtspunt bij punt 1).

De opbrengst van de SF-afschaffing zal in het hoofdlijnenbeeld van de overheidsfinanciën verwerkt worden. Ruw beeld hiervan: 500 mln (OV-kaart opbrengst) als ombuiging sec; 700 mln voor het HO -300 mln HBO, 200 mln WO, 200 mln R&D- en 700 mln overig onderwijs, met name MBO. Daarmee zou een evenwichtig geheel bereikt kunnen zijn tussen de onderwijsclaims die in de vier paarse programma's waren opgenomen ten koste van de SF. 

 

3)       Invoering van Veerman/Dijkgraaf wordt een feit

De unisono ondersteuning van de recente structuuradviezen van de commissie Veerman en die van Dijkgraaf c.s. zal een Paars+ coalitie gretig willen belonen. Daarbij zal zeker de passage op blz. 57 van het rapport-Veerman enige nadruk krijgen als basis van overeenstemming tussen met name de VVD en de andere drie fracties: "De voorstellen van de commissie verdienen zichzelf deels terug:" matching en selectie zouden uitval, omzwaai en vertragingskosten verlagen. Brede bachelors zijn goedkoper aanbod en behouden tevens waardevolle niche-opleidingen. Zwaartepuntvorming en taakverdeling maken R&D efficiënter en Europese fondsenwerving succesvoller. Alumnibeleid levert inkomsten op.

Zulke opbrengsten zouden in het 'Wassenaarse kennisakkoord'  verder versleuteld kunnen worden en als targets met concrete tijdpaden ingevuld worden. De -20% exercities van de ambtelijke werkgroepen van voorjaar 2010 zouden daarbij dan als materiaal en schrikbeeld tegelijk ter bevordering van overeenstemming ingezet kunnen worden door de nieuwe bewindslieden. Het HO kan dus tussen 2011 en 2020 aanzienlijk meer financiële armslag krijgen. Mits het dit zelf weet te verdienen eerst. Een beetje zoals de commissie Dijkgraaf het voordoet in de voorzet voor de kunstsector.

 

4)       Verdere versterking leraarschap staat voorop

De nieuwe coalitie zal de uitvoering van het advies Leerkracht van Rinnooy Kan c.s. benadrukken. Het geld daarvoor is al door Balkenende IV geregeld, dus kan de nieuwe minister met weinig moeite flink 'scoren'. Bovendien kan zij/hij met de noodzakelijke taakverdeling ten gevolge van 'Veerman' bij de lerarenopleidingen een belangrijke doorbraak voor kwaliteitsbeleid realiseren. Sucesvolle initiatieven bij de innovatie van het leraarschap (Eerst de Klas; Academische Pabo; Educatieve Minor; gezamenlijke lectoraten,e.d.) zijn tevens concreet in gang gezet inmiddels, zodat de nieuwe minister ook hier de loper uitgelegd vindt.

Alleen de doorvoering van een echt beroepsregister voor het leraarschap -een Professioneel Statuut met concrete eisen aan professionalisering gedurende de loopbaan, bijblijven, ook door onderzoek en publicaties en dergelijke- is grotendeels achterwege gebleven, opvallend genoeg. Durft een Paars+ minister bonden en BON hier uit te dagen en een dergelijke kwaliteitseis voor een serieuze professie te verplichten? Met consequenties ten aanzien van de beloning en benoembaarheideisen? Zoiets is immers pas echt meer 'wat' dan 'hoe', conform Dijsselbloem.

 

5)       Klaar maken voor de demografische klappen kan beter nu dan straks en te laat

Wat de Duitsers kunnen -en al moeten doen- kan Nederland ook, en moet ook langzamerhand. Heel het onderwijs zal voorbereid moeten worden op ingrijpende herschikkingen ten gevolge van de komende demografische omslag. Het aantal hoogopgeleide mensen tussen 25 en 65 gaat precies na dit jaar 2010 gestaag omlaag, absoluut en relatief. En het aantal jongere talenten is tussen 2010 en 2020 aan het plafond van rond 1,425 mln 18-24 jarigen, 8,6% van de bevolking. Daarna daalt dit aantal hard, absoluut en relatief, in 2030 al naar 7,8% bijvoorbeeld. Het aantal autochtone jongeren daalt al eerder en sneller, na 2015 absoluut en in 2010 al relatief.

Deze cijfers uit een besloten OCW-toekomstverkenning van september 2009 geven niet alleen zorgen, maar ook mogelijkheden voor het komende kabinet. Als er toch fors ingegrepen moet worden vanwege de tekorten, dan kun je het maar beter doen als Lubbers-1: direct, structureel en met groot lange termijn effect. En daarvoor biedt het demografisch perspectief goede argumenten en richtingen, ook al omdat in aanzienlijke delen van ons land de feitelijke krimp al begonnen is en of nu snel aanstaande is.

Net als in Duitsland in Länderregerungen gebeurt, zou het kabinet Rutte-1 de onderwijsvoorzieningen reeds nu kunnen gaan afstemmen op de komende daling van het aantal deelnemers. Dat beperkt de kosten van de omslag in de voorzieningen en die van de 'sluipende schaalverkleining' aanzienlik en het zorgt voor een tijdige en bestendige opzet voor het onderwijsaanbod, dat de krimp kan doorstaan, ook kwalitatief. De lagere uitgaven op termijn kan het kabinet dan vast concreet inboeken als staatsschuldreductie.

Dat geldt ook voor de salariskosten en hun raming voor de lange termijn. Met de massale uitstroom van de babyboom-docenten uit het onderwijs in de komende jaren gaan de salarisuitgaven gemiddeld omlaag. Berekeningen van oud-minister Bos van Financiën wezen al op ongeveer 1 miljard minder kosten daardoor.

 

6)       Diversiteit en kwaliteit krijgen veel nadruk

Een Paars+ kabinet zal zich willen profileren als ruimdenkend en gericht op excellentie, zeker ook in het onderwijs en onderzoek. Het kan daar tevens de oppositie mee 'splijten', omdat het CDA hier vanwege de vrijheid van onderwijs in mee zal gaan. PVV en SP komen zo in de positie dat zij elkaars lijn tegenover het kabinet zouden moeten ondersteunen. Het is maar de vraag of zij dit uiteindelijk vanwege hun ideologische posities wel zullen willen en kunnen.

In het kader van een meer doelgericht immigratiebeleid zou de nieuwe coalitie overeenstemming kunnen vinden over een bewust kennismigrantenbeleid, inclusief beperking van toelating van zeer laaggeschoolden. Tevens zou een zwaar accent op diversiteit en emancipatoir studiesucces de paarse partijen -geleid door Echo Award ambassadeur Rutte immers- kunnen verbinden in hun kennisbeleid. De beleidselementen die nadruk op kwaliteitsversterking en excellentie leggen, zouden daar in meegenomen worden, iets wat bij VVD en D66 aanslaat. 

 

B]    De eigen kleur van de aspirant minister

Hiermee is een kader van -slechts- 6 passages met kernpunten voor het kennisbeleid gegeven. Elk van de vier Paars+ coalitiefracties vindt daarin veel herkenbaars en kan het 'brengen' als toekomstgericht en vernieuwend beleid, vanuit het eigen programma beredeneerd. Bovendien geven  deze 6 punten de nieuwe minister zowel houvast als ruimte voor de eigen accenten en invulling van het akkoord, die past bij de lijn die Tjeenk Willink heeft aangegeven.

Wat zou nu zo'n nadere invulling, zeg maar 'de kleurspoeling', zijn bij de verschillende ministerskandidaten van verschillende partijen? ScienceGuide verkent daarom ook wat de meest 'getipten' daarover zelf al hebben aangegeven.

 

a) Alexander Rinnooy Kan

Als SER-voorzitter zette hij zich de afgelopen jaren onvermoeibaar in voor het hoger onderwijs en de kennissector. De strategische agenda voor het hoger onderwijs van OCW uit 2007 droogde zijn SER op eigen initiatief af met kwalificaties als 'weinig concrete handvatten', 'aanknopingspunten ver te zoeken', 'tijdrovend'.

Met de 'KIA-foto' liet hij jaarlijks zien, dat er niet alleen reden en noodzaak is om in kennis te investeren, maar dat er over de manier waarop zulke gelden aangewend zouden moeten worden, ook verrassend veel eensgezindheid bestaat in de polder. Het kabinet kon die dan ook aanspreken op de eigen inzet van de verschillende partijen in de samenleving. En dat zal iets zijn, dat een minister Rinnooy Kan dan ook zeker zal doen. Over de motie-Hamer zie hij bijvoorbeeld al: 'Wij hebben op 3 gestaan, dus het kan."

De verwachtingen van een ministerschap van Rinnooy Kan zijn in brede kring daarom hoog gespannen. Daarbij komt dat hij gelet op zijn cv zich in een nieuw kabinet ook als het type gezaghebbende nestor zou kunnen ontpoppen. Wat Ernst Hirsch Ballin in Balkenende-IV en Piet Hein Donner in Balkenende I en II kon doen geeft daar een indruk van. 

Legendarisch en exemplarisch was de rol die Jan de Koning ooit onder Lubbers kon spelen. Dat roept bij velen in Den Haag meteen de aarzeling op of Rinnooy Kan gezien zijn statuur zich wel laat verleiden tot een post in het kabinet. Nu de informateurs hebben aangegeven, dat de onderhandelaars streven naar een fors minder aantal ministers -en dus een beperkte groep gezaghebbende, breed gemandateerde bewindslieden te zoeken- kon dat wel eens het signaal zijn voor Rinnooy Kan om het wel te doen.    

 

b) Jan Anthonie Bruijn

Terwijl het onderwijsbeleid en 'de koepels' traditioneel worden gedomineerd door PvdA'ers en CDA'ers, geldt Jan Anthonie Bruijn als een actief en toegewijd onderwijsdenker vanuit de VVD. Zo is de Leidse hoogleraar geneeskunde aan het LUMC al jaren voorzitter van de onderwijscommissie van de VVD, maar ook lid van de Onderwijsraad, waar hij zich onder meer bezig hield met doorlopende leerlijnen. Ook legt hij in zijn publicaties graag het accent op de gunstige effecten van selectiviteit.

Als voorzitter van de programmacommissie van de VVD liet hij zien op een breed terrein politiek te kunnen formuleren en bedrijven. Over hoger onderwijs slaat 'zijn' VVD-verkiezingsprogramma een zeer bezorgde toon aan."Het hoger onderwijs verkeert in een crisis. Perverse financiële prikkels rekenen universiteiten en hogescholen vooral af op de studentenaantallen die zij afleveren, niet op de toegevoegde waarde die zij bieden. De VVD wil dat zij worden afgerekend op kwaliteit. Ook de kennisoverdracht aan studenten moet beter. Veel wetenschappers maken carrière door wetenschappelijk onderzoek te doen en worden daar - terecht - op afgerekend. De onderwijskundige kwaliteit van een docent wordt echter nauwelijks langs de meetlat gelegd en gehonoreerd, waardoor de kwaliteit van het onderwijs niet wordt gestimuleerd." Van een minister Bruijn hoeven we dus geen halve maatregelen te verwachten.

Ook komen we in het verkiezingsprogrammma het thema van de Begeisterung  weer tegen. Het thema waar Mann- en Goethe-liefhebber Mark Rutte zich als staatssecretaris al sterk voor maakte: "Het ontbreekt daarenboven aan bezieling om ons hoger onderwijs naar de top te brengen. De VVD wil dat er de komende periode hard wordt gewerkt om orde op zaken te stellen. De VVD vindt dat Nederlandse scholen en universiteiten de beste diploma´s moeten bieden van Europa." zo'n accent op 'passie' is sowieso erg modern en zou de anderen in Paars+ dan ook nu ineens zo maar kunnen gaan boeien.

 

c) Ronald Plasterk

De gelauwerde bioloog toonde als minister talent en 'passie' voor de parafernalia van het ambt. Vooral in de cultuur- en mediasector van zijn portefeuille wilde hij zich uitleven. Als beleidsmaker kwam hij eerst wat moeizaam op gang, mede omdat hij zich in de jaren ervoor zo had afgezet tegen beleidsmakers met hun 'oekazes'. Bij clubs als BON had men dan ook goede hoop op hem.

Waar hij meer uitgesproken politieke ideeën had, vond hij de Kamer, het kabinet en onderwijsbestuurders, die hij als 'leemlaag' typeerde, op zijn weg. Zo verging het hem in zijn poging de basisbeurs af te schaffen en bij zijn omarming van het advies van Rinnooy Kan om het leraarschap te professionaliseren. In zekere zin ging het ook zo bij zijn 'Californische rede' in Twente. Want ook deze leidde tot een heel andere benadering onder leiding van Cees Veerman, en zulks met input uit California van Bob Berdahl (lees onder de klik diens interview met ScienceGuide).

Tot verbazing van vriend en vijand ontvouwde Plasterk in een Haags café, na zijn aftreden in maart, een ambitieus program voor zijn tweede periode als onderwijsminister. Tijdens het borreldebat van de LSVb bleek Plasterk de gelden die zouden vrijkomen door de afschaffing van de studiefinanciering, te willen laten terugvloeien naar het hoger onderwijs.

Net als de VVD dus, maar contra het verkiezingsprogramma dat zijn eigen partij enige tijd later presenteerde. Uiteraard omarmde hij de motie-Hamer om Nederland in de top-5 van kennisnaties te brengen, maar tegelijk kondigde hij aan het onderwijsstelsel te willen hervormen. Plasterk weet dus wat hij wil in tweede termijn.

 

 

Inwerkweekend 2010   
 Studentenpanel LSVb


Nieuws
Zondeval, bekostiging en hypocrisie
OCW: Dijkgraaf springplank voor Veerman
De ondraaglijke lichtheid van hoger onderwijs
Formatie loopt op eieren bij HO en Kennis
Meer nieuws...